dinsdag 17 mei 2016

3389

*
*
„Sag mir wo die Blumen sind“….
*
*
Mei 1945.
Hitlers droom was toen ‘abegeschossen’. Over en uit. Duitsland was ten gronde verwoest en gekwetst tot in het diepste van de ziel. Maar het leven moest verder. Men kon elkaar niet blijven uitmoorden. Het leegplunderen van de vijand was beginnen. Alles wat niet te heet of te zwaar was inzake Duitse geheime wapens verhuisde naar overzee, terwijl de USSR stelselmatig hele fabrieken ontmantelde om die op transport te zetten. De mooiste vrouwen waren er te koop voor en paar Engelse sigaretten…. En de prijzen bleven maar zakken.
De bezettingstroepen sloegen overal in Duitsland hun tenten op. D.W.Z. ze eisten kwartier in alles wat nog enigszins rechtstond…. Het beste was nauwelijks wel genoeg. Maar de 3 à 4 miljoen Duitse Wehrmachtsoldaten die de Rijn niet meer over-konden ‘Heim ins Reich’, waren voor de Geallieerden een uiterst onwelkome last. Zij hadden de oorlog gewonnen en de rest kon de boom in. Liefst met een koord rond de nek. Zou ze leren ‘gegen Engeland’, te hebben willen fahren.
Ze werden uit gans Europa bijeen geveegd. En daarna het veld ingejaagd. Vanaf April 1945 tot een stuk in 1946, dienden ze al hun uitrusting af te geven, en mochten vervolgens met blote handen een gat in de grond delven om daarin, lijk beesten, te slapen. Op Wikipedia vindt U de ‘gekuiste’ details, want het is helemaal gen Duitse versie van de feiten.
Al die tijd weigerden de Amerikanen, Fransen, Engelsen, hen als krijgsgevangenen te aanzien, zodat noch de Conventie van Genève, noch het rode Kruis, daar zaken mee hadden. Geallieerde bronnen gewagen van 10-11.000 doden, experten daarentegen bepalen dat dan weer op enkele honderdduizenden.
Rond deze tijd v/h jaar daar nog iets over gelezen in de Media? Iets gehoord op de TV? Ik ook niet. Ter zake is het gewoon dat de doden de doden moeten begraven houden.
Kijk, mensen, die gevangenen waren waarschijnlijk ook geen Kerstekindjes, al vrees ik dat velen ‘hun Führer und der verdammter Krieg’ al lang beu waren. Maar de waarheid heeft nu eenmaal haar rechten: Amerikanen, Britten, Fransen: ze waren geen haar beter dan hun verslagen vijanden. Toen niet en later ook niet. Ze verschoten er zelfs hun laatste poeder door. Want daarna ging de zon onder in hun koloniaal wereldrijk. Vae victis. Wee de Overwonnene. De verliezers hebben altijd ongelijk. De Antieken wist dat al. Daarom werden hun gevangen meestal voor de leeuwen gegooid. Of met pek ingewreven, als straatverlichting op hoge palen gebruikt langs de Via Appia in Rome.
En zeggen, dat die 3 volkeren, enkele decennia later, nu samen het werk van A.H. willen afmaken, het Vrije Westen over dezelfde woestijn naar de Globale Islamitisch-Socialistische waanwereld leiden. Ezels vallen geen twee keer over dezelfde steen. Mensen wel.
Die rare sprongen worden door de Russische Beer met argusogen gevolgd. Want, één keer door het Westen bij de neus genomen, maar geen tweede keer. Geen nieuw Ribbentrop/Molotov-akkoord deze keer. De Poet moet dus op school goed opgelet hebben in de lessen Vaderlandsche Geschiedenis.
*
Tot zover de grote politiek. De generatie die WO II in levende lijve heeft meegemaakt, sterft uit. Blijven dus over nog alleen de vele monumenten als stomme getuigen. Naast natuurlijk de vele miljoenen doden en de ‘buchstabierte’ vastgelegde verhalen van zij die het overleefd hebben. Beeldmateriaal ook, maar beide partijen, de ‘Goeden’ zowel als de ‘slechten’ hebben altijd goede propaganda-specialisten gehad… U moet dus vooral niet alles geloven wat U ziet….
Daarvoor deze persoonlijke noot. In de winter van 1944 werd ik als kleine jongen naar Grootmoe gestuurd omdat ons Ma na de dood van onze Pa, liever een mondje min dan een mondje meer in huis had. Alles stond nog op de bon, en Metje, op den boerenbuiten, had veel ‘op haar eigen’. De dagen waren er eenzaam, koud en vooral vroeg donker. Later was ik daar ook want ik zie nog altijd de gekantelde hoofdletter ‘L’ met de drie III daartussen op muren, bruggen en monumenten gekalkt staan. Later leerde ik dat het ‘De Koningskwestie’ was geweest en dat die helemaal ‘omsonst’ was geweest, want de Walen kregen het toch weg. De loeders!

Op de Steenweg naar Oostende was er grote bedrijvigheid van op en afrijdende legertrucks en tanks. Over de lege velden zagen we de bezigheid: kisten munitie uit de rijen loodsen naar de trucks dragen, onder het toezicht van mannen met barse stemmen, die allemaal ’n witte armband droegen. Metje vertelde dat die loodsen, tot de nokken gevuld met oorlogsmateriaal, daar door diene ‘smerige Duits’ was gezet, om waar nodig onze kusten tot hun laatste snik te kunnen verdedigen. Raversyde draagt er tot op vandaag de sporen van. Veldmaarschalk Rommel was daar zelfs ooit op Inspectie, maar zag dat het allemaal goed was. Moesten de Tommies ooit daar gekomen zijn - wat ze blijkbaar nooit hebben gedaan – dan zou hen in Oostende een warm onthaal zijn toebedacht. Het was precies alsof die Toezichters op hun eentje heel de Duitse Krijgsmacht hadden verslagen, zo gingen die tekeer. Tot die, moe geworden waarschijnlijk, in de herberg verdwenen. Waarop een zwerm haveloze werkers over het veld richting het eerste burgerhuis stormden. Van ver hoorden we ze reeds. ‘Bitte, etwas zu esen’.
Later heb ik die tijd van de dag ‘Het Blauwe Uur’ geleerd te noemen, omdat de dag en de nacht zo goed als onmerkbaar in elkaar overgingen. Een intiem ogenblik, het meest gesmaakt door jonge verliefden die samen opkijken naar de opkomende maan.
Metje schepte onze karnemelkse pap in het bord van de twee mannen, reikte de bruine suiker aan en kroop weer op haar plats naast de roodgloeiende kachelpot. Een beetje uit de lichtkring van de ‘Lampebelge’, die de inwonende tante ondertussen had opgezet, zat een angstig ineengedoken knaapje. Met grote vragende ogen, want de wereld der volwassenen zat blijkbaar moeilijk in elkaar. Die in lompen geklede Duitse soldaten, dat waren toch onze vijanden? En nu ineens waren dat nog minder dan honden! De oudere, klein van gestalte, die rare pet op zijn hoofd, schrokte lijk ’n beer en babbelde ondertussen honderduit over die ‘Scheiss Krieg’. De jongste, een lange onvolgroeide schooljongen, lepelde zwijgend in zijn telloor pap. En dacht ik, net als Petrus in het Hoveken van Olivieten, waarover Meester zojuist wat verteld had, ‘weende hij bitter’.
Maar ineens klonken er buiten schrille fluitsignalen en kwamen de bewakers toegelopen. De twee Duitsers spurtten naar buiten – het werd steeds donkerder – en wilden terug naar de anderen, maar ze kregen de kans niet. Ze werden bedolven onder de kolfslagen, die stampen en het vloeken. De lange riep, de handen rond zijn hoofd, dat hij Oostenrijker was, maar de oudere man kroop alleen maar meer in elkaar. Geweerkolven die bonken op iemands ribbenkast geven een geluid die niemand nog kan vergeten. Ondertussen was het flink beginnen regenen. De kloppartij duurde tot Metje de deur opentrok en eiste dat ze die jongens zouden gerust laten. Wat op slag gebeurde: 4 à 5 dappere Witte Brigademannen die als geslagen honden afdropen, op het zeggen van een klein oud vrouwtje. Toen pas durfde ons Tante Germaine uit haar schuiloord komen. Want zei ze, ze kende die armbanddragers maar al te goed.
We hebben dan samen, de pietrollamp laag gedraaid, rond de kachel, nog een heel eind zitten ‘paternosteren’ omdat die jongens veilig zouden thuis geraken. Die nacht moest ik niet slapen onder de pannen op zolder, maar naast Metje in haar grote bed. Zo heb ik mezelf in slaap geschreid.
*
Later bevoorraden de Amerikanen door de lucht Berlijn omdat men daar, door de Russische blokkades, van honger dreigde om te komen. Die dutsen van Duitsers, toch! De Koude Oorlog was begonnen.
Ook vertrokken er toen hele konvooien uit Vlaanderen naar het geterroriseerde Duitse volk, onder leiding van De Spekpater van Oostpriesterhulp. Later kwamen daar de Kapelwagens bij, die tot ver in Duitsland hulp en troost kwamen bieden. Pater Werenfried Van Straeten Norbertijn, (1913-2003) reisde de colleges af en de KSA hamsterde waar ze kon om die Kapelwagens proppensvol te krijgen.
Wat niet belette, dat op 16 Maart 1946 de IJzertoren in Kaaskerke door de samenzweerderige Coburger ‘elite’ werd gedynamiteerd. Waarbij in het Parlement in de notulen kon genoteerd worden: hij ligt er en hij ligt er goed. Het was ook de tijd, waarin het bloed stroomde van de executie-palen, en Willem Elsschot kon dichten over een zieke mankepoot, die op een stoel gebonden, ‘tegen de muur’ werd gezet.
Maar ondertussen was er in ondergetekende al lang een nieuw Vlaams Leeuwke tot volle wasdom gekomen.
*
Och, ik schrijf, net als Hugo Camps, als ware het bestemd voor de Eeuwigheid. En ik weet dat het maar duurt tot morgen voor er weer iets anders zal zijn…
*
O Ja, en dan nog iets over die Rheinwiesenkampen. Deze waren het initiatief en de verantwoordelijkheid van de Amerikaans Opper-bevelhebber der Geallieerde Troepen, die toen in functie was. Een zekere Dwight Eisenhower, die het in die dagen veel te druk had met het werk van zijn ‘secretaresse’. Die overal aan het stuur zat. En paradeerde.
Gezegde Eisenhower werd later President van de USA en de Machtigste Man op Aarde.
Kay Summersby was de naam. But, net als Billy Clinton, ‘he never had seks with that women’.
*
(Get) Digitalia
*
 
*

Geen opmerkingen:

Een reactie posten