zaterdag 8 februari 2020

74 - DOORBRAAK IN OORLOGEN KLINKT ER GEEN HOORNGESCHAL

2600
74 - DOORBRAAK
IN OORLOGEN KLINKT ER GEEN   HOORNGESCHAL
Dinsdag 21Januari 2020

MIJMERING
JAGEN
JACHT IS GEEN OORLOG
*
**
foto: ©Derek Malou
*
Het bestaan begrijpen? Ga jagen
21 januari 2020
*
 John Croughs, die onlangs op deze website een bijdrage schreef over het psychologisch gemoed van de jager, houdt van wandelen in de natuur. Naar eigen zeggen omdat het helpt zijn ‘gedachten spinsels’ op een rijtje te zetten. Misschien had Croughs, die ik overigens niet ken, beter een extra ommetje gelopen, alvorens zijn tekst op te sturen.

In zijn bijdrage stelt hij nochtans een interessante vraag: waarom jaagt de jager? Wat vormt zijn ‘werkelijke motivatie’ om voor dag en dauw op te staan, in het donker plaats te nemen op een krap zittend stoeltje, en soms urenlang roerloos te wachten tot een dier passeert?
Helaas neemt de auteur zijn eigen vraag niet ernstig. Jagen in zijn ogen komt namelijk neer op ‘een beetje soldaatje spelen voor volwassen, of voor mensen die niet echt ten oorlog durven trekken, waar de opgejaagde kan terugschieten’.

Ik vind de vergelijking naast oppervlakkig vooral grotesk, omdat ten eerste in een oorlog de complete vernietiging van de vijand voorop staat. In een oorlog komen ten tweede grenzen onder druk te staan. En in een oorlog wordt ten derde de moraal tijdelijk opgeschort, en met de moraal een cruciaal deel van de mens. Jagen, indien weidelijk en wettelijk uitgevoerd, beoogt op alle vlakken net het tegenovergestelde.
Geen vijandschap
Ten eerste staat niet de vernietiging, maar daarentegen de bloei van een soort bij de jacht voorop. Vandaar bijvoorbeeld de rigoureuze selectie bij reeën, om de populaties op sterkte te houden. Overigens, een jager beschouwt een dier nooit als een vijand, want dat behelst een politieke daad zoals Carl Schmitt die definieert: wie beschouw ik als vriend, wie als opponent?

Die opdeling gaat echter niet op bij wild; achter hun donkere blik blijkt de totale afwezigheid van een dergelijke overweging. Een dier kan een mens beschouwen als een gevaar, maar nooit als een door haat verteerde partij, en vice versa. Zelfs de razernij en de wraakgevoelens van kapitein Achab jegens Moby-Dick, de magische witte walvis die zijn been afbeet in het bekendste jachtverhaal op zee, oversteeg de pijn van het verlies van zijn ledemaat: ‘Op de witte bult van de walvis stapelde Achab de som van alle verzamelde woede en haat die door zijn hele geslacht sinds Adam is gevoeld’.
Grenzen gesteld

Ten tweede moet tijdens een jacht een deelnemer de regels van het huis volgen, regels die grenzen stellen. Enerzijds omdat elk moment de Vlaamse Natuurinspectie aan de horizon kan opdoemen; en wie tegen de lamp loopt kan zijn jachtverlof verliezen. Anderzijds omdat de jachtgroepen hun legitimiteit halen uit het opleggen van interne codes. Die codes worden aan het begin van een partij duidelijk aangegeven en op het einde van de dag gevolgd door reprimandes en boetes bij fouten.

Die regels gelden niet een beetje, maar absoluut. Ze bakenen de ruimte af waarbinnen de jacht zich mag ontplooien. Dat geeft orde en structuur, in schril contrast met de uitdijende chaos van een oorlog.
Morele grens bewaken

Ten slotte, in het hart van de jacht ligt de moraal. Een jager beslist eigenhandig over leven en dood. Hij, en niemand anders, haalt de trekker over. Hij, en niemand anders, moet zijn daad weten te rechtvaardigen ten opzichte van zichzelf, ten opzichte van de groep waarin hij jaagt, en ten opzichte van het gestrekte exemplaar. Hij kan zich niet verschuilen achter een bevel van hogerhand; hij draagt de volle verantwoordelijkheid voor het schot — ook en vooral als het misloopt.

Externe omstandigheden kunnen en mogen niet als excuus dienen. Daarom dat een jager, zich volledig bewust van zijn mechanische overmacht en het potentieel verwoestend karakter ervan, vaker niet dan wel schiet — ondenkbaar in een oorlogssituatie.

José Ortega y Gasset, een Spaanse filosoof, schreef over die ‘beperking’ bijna een eeuw geleden het volgende: ‘Juist naarmate het wapen steeds efficiënter werd, legde de mens zich meer beperkingen tegenover het dier op, om dit speling te geven, om wild en jager niet op te ongelijk niveau te brengen, alsof de overschrijding van een bepaalde grens in die betrekking het wezenlijk karakter van het jagen zou tenietdoen en het in louter slachting en vernietiging zou veranderen.’

Anders gezegd: de moraal — geconcretiseerd in praktische stelregels zoals: enkel schieten bij perfect bladschot; geen leidende zeug viseren; vermijd doublées — waakt over die grens. Vanuit consideratie met het wild, dat moet kunnen ontsnappen. Maar evengoed ter bescherming van de menselijke waardigheid: de ware jagersethiek waarschuwt tegen het exces — de onstilbare honger naar prooien — en tegen een mogelijk zelfverlies — het volledig opgaan in de onstuimige, verslavende lust tot schieten. Een oorlog teert op die gevoelens.
Adrenalinekick

Maar het citaat over oorlog terzijde geschoven, vind ik een andere uitspraak van Croughs veel problematischer. Zeker voor een bijdrage die zogezegd peilt naar de ziel van de jager. Namelijk: ‘Ik denk niet dat er veel jagers zijn die liever zonder geweer het jachtterrein intrekken om te gaan vaststellen dat het in hun gebied snor zit met het faunarijke evenwicht. Ook dat zouden ze kunnen doen met hun paracommandopakje aan, verrekijker rond de hals, walkie talkie in de aanslag en kruipend van struik tot boom.’

Vanwaar mijn ergernis? Croughs mist totaal het punt — meer specifiek: hét punt. De essentie. Evident trekt een jager met een wapen de natuur in, omdat jagen in zijn meest elementaire vorm over oogsten gaat. Over vergaren. Over verwerven. Jagen is een grijpende beweging.

Krijgt de jager een adrenalinekick door het schieten? Allicht. De zenuwen gieren door zijn lijf als een potentiële buit voor het vizier verschijnt. En het jagerslatijn kent zelfs de term ‘bokkenkoorts’ — de bibberende ontlading na een voltreffer, alsof het lichaam zindert op het veranderende ritme van de kosmos. Maar het doden blijft een middel, een methodiek om aan voedsel te raken.
Oogstgedachte

Het doel is namelijk: vlees — vlees in zijn meest pure vorm bemachtigen of veiligstellen, en dat kan enkel via het sterven van een dier.

Daarvoor wordt in de eerste plaats naar de natuur gekeken, waar wild in de letterlijke betekenis van het woord wild mag zijn: in vrijheid levend, ongetemd en zondevrij (in de zin van: niet het resultaat van een commercieel gerichte aanpak, maar een spontane uitbarsting van biologische en seizoensmatige driften).

Maar in het huidige tijdsgewricht, met zijn vaak abstracte relatie tot voedsel en de herkomst ervan, is de oogstgedachte verworden tot een rariteit. Een anachronisme. Zeggen dat een jager zijn vlees op eigen verdienste uit het bos of de weide haalt, klinkt bijna revolutionair in sommige middens.
Rebellie

Maar als dat het gemoed is, dan lijkt iedere jachtpartij op een daad van rebellie — rebellie tegen de vervreemding en de vervlakking van de moderniteit. Rebellie tegen de onzichtbaarheid van de dood in de samenleving. Rebellie tegen het uit handen geven van de verantwoordelijkheid wat eten betreft. Rebellie tegen een simpele maar vergeten waarheid: de mens staat niet naast, niet boven, niet onder maar middenin de natuur, en sterven en oogsten horen tot het wezen van ieder zijn. Of dat nu een fijne gedachte is of niet.

Waarom dan zou een jager zijn activiteiten opgeven? Waarom zou hij vergooien wat hem ten diepste verbindt met het leven zelf? Waarom zou hij de band doorknippen met een cultus waarin zoveel intuïtieve kennis verborgen ligt, en die het beperkte begrip van het bestaan opentrekt? (Met een knipoog naar de Duitse filosoof Martin Heidegger: die helpt tegen de zijnsvergetelheid.)

foto: ©Derek Malou
Het bestaan begrijpen? Ga jagen
21 januari 2020 Maarten Goethals


John Croughs, die onlangs op deze website een bijdrage schreef over het psychologisch gemoed van de jager, houdt van wandelen in de natuur. Naar eigen zeggen omdat het helpt zijn ‘gedachtenspinsels’ op een rijtje te zetten. Misschien had Croughs, die ik overigens niet ken, beter een extra ommetje gelopen, alvorens zijn tekst op te sturen.

In zijn bijdrage stelt hij nochtans een interessante vraag: waarom jaagt de jager? Wat vormt zijn ‘werkelijke motivatie’ om voor dag en dauw op te staan, in het donker plaats te nemen op een krap zittend stoeltje, en soms urenlang roerloos te wachten tot een dier passeert?

Helaas neemt de auteur zijn eigen vraag niet ernstig. Jagen in zijn ogen komt namelijk neer op ‘een beetje soldaatje spelen voor volwassen, of voor mensen die niet echt ten oorlog durven trekken, waar de opgejaagde kan terugschieten’.

Ik vind de vergelijking naast oppervlakkig vooral grotesk, omdat ten eerste in een oorlog de complete vernietiging van de vijand voorop staat. In een oorlog komen ten tweede grenzen onder druk te staan. En in een oorlog wordt ten derde de moraal tijdelijk opgeschort, en met de moraal een cruciaal deel van de mens. Jagen, indien weidelijk en wettelijk uitgevoerd, beoogt op alle vlakken net het tegenovergestelde.
Geen vijandschap

Ten eerste staat niet de vernietiging, maar daarentegen de bloei van een soort bij de jacht voorop. Vandaar bijvoorbeeld de rigoureuze selectie bij reeën, om de populaties op sterkte te houden. Overigens, een jager beschouwt een dier nooit als een vijand, want dat behelst een politieke daad zoals Carl Schmitt die definieert: wie beschouw ik als vriend, wie als opponent?

Die opdeling gaat echter niet op bij wild; achter hun donkere blik blijkt de totale afwezigheid van een dergelijke overweging. Een dier kan een mens beschouwen als een gevaar, maar nooit als een door haat verteerde partij, en vice versa. Zelfs de razernij en de wraakgevoelens van kapitein Achab jegens Moby-Dick, de magische witte walvis die zijn been afbeet in het bekendste jachtverhaal op zee, oversteeg de pijn van het verlies van zijn ledemaat: ‘Op de witte bult van de walvis stapelde Achab de som van alle verzamelde woede en haat die door zijn hele geslacht sinds Adam is gevoeld’.
Grenzen gesteld

Ten tweede moet tijdens een jacht een deelnemer de regels van het huis volgen, regels die grenzen stellen. Enerzijds omdat elk moment de Vlaamse Natuurinspectie aan de horizon kan opdoemen; en wie tegen de lamp loopt kan zijn jachtverlof verliezen. Anderzijds omdat de jachtgroepen hun legitimiteit halen uit het opleggen van interne codes. Die codes worden aan het begin van een partij duidelijk aangegeven en op het einde van de dag gevolgd door reprimandes en boetes bij fouten.

Die regels gelden niet een beetje, maar absoluut. Ze bakenen de ruimte af waarbinnen de jacht zich mag ontplooien. Dat geeft orde en structuur, in schril contrast met de uitdijende chaos van een oorlog.
Morele grens bewaken

Ten slotte, in het hart van de jacht ligt de moraal. Een jager beslist eigenhandig over leven en dood. Hij, en niemand anders, haalt de trekker over. Hij, en niemand anders, moet zijn daad weten te rechtvaardigen ten opzichte van zichzelf, ten opzichte van de groep waarin hij jaagt, en ten opzichte van het gestrekte exemplaar. Hij kan zich niet verschuilen achter een bevel van hogerhand; hij draagt de volle verantwoordelijkheid voor het schot — ook en vooral als het misloopt.

Externe omstandigheden kunnen en mogen niet als excuus dienen. Daarom dat een jager, zich volledig bewust van zijn mechanische overmacht en het potentieel verwoestend karakter ervan, vaker niet dan wel schiet — ondenkbaar in een oorlogssituatie.

José Ortega y Gasset, een Spaanse filosoof, schreef over die ‘beperking’ bijna een eeuw geleden het volgende: ‘Juist naarmate het wapen steeds efficiënter werd, legde de mens zich meer beperkingen tegenover het dier op, om dit speling te geven, om wild en jager niet op te ongelijk niveau te brengen, alsof de overschrijding van een bepaalde grens in die betrekking het wezenlijk karakter van het jagen zou tenietdoen en het in louter slachting en vernietiging zou veranderen.’

Anders gezegd: de moraal — geconcretiseerd in praktische stelregels zoals: enkel schieten bij perfect bladschot; geen leidende zeug viseren; vermijd doublées — waakt over die grens. Vanuit consideratie met het wild, dat moet kunnen ontsnappen. Maar evengoed ter bescherming van de menselijke waardigheid: de ware jagersethiek waarschuwt tegen het exces — de onstilbare honger naar prooien — en tegen een mogelijk zelfverlies — het volledig opgaan in de onstuimige, verslavende lust tot schieten. Een oorlog teert op die gevoelens.
Adrenalinekick

Maar het citaat over oorlog terzijde geschoven, vind ik een andere uitspraak van Croughs veel problematischer. Zeker voor een bijdrage die zogezegd peilt naar de ziel van de jager. Namelijk: ‘Ik denk niet dat er veel jagers zijn die liever zonder geweer het jachtterrein intrekken om te gaan vaststellen dat het in hun gebied snor zit met het faunarijke evenwicht. Ook dat zouden ze kunnen doen met hun paracommandopakje aan, verrekijker rond de hals, walkie talkie in de aanslag en kruipend van struik tot boom.’

Vanwaar mijn ergernis? Croughs mist totaal het punt — meer specifiek: hét punt. De essentie. Evident trekt een jager met een wapen de natuur in, omdat jagen in zijn meest elementaire vorm over oogsten gaat. Over vergaren. Over verwerven. Jagen is een grijpende beweging.

Krijgt de jager een adrenalinekick door het schieten? Allicht. De zenuwen gieren door zijn lijf als een potentiële buit voor het vizier verschijnt. En het jagerslatijn kent zelfs de term ‘bokkenkoorts’ — de bibberende ontlading na een voltreffer, alsof het lichaam zindert op het veranderende ritme van de kosmos. Maar het doden blijft een middel, een methodiek om aan voedsel te raken.
Oogstgedachte

Het doel is namelijk: vlees — vlees in zijn meest pure vorm bemachtigen of veiligstellen, en dat kan enkel via het sterven van een dier.

Daarvoor wordt in de eerste plaats naar de natuur gekeken, waar wild in de letterlijke betekenis van het woord wild mag zijn: in vrijheid levend, ongetemd en zondevrij (in de zin van: niet het resultaat van een commercieel gerichte aanpak, maar een spontane uitbarsting van biologische en seizoensmatige driften).

Maar in het huidige tijdsgewricht, met zijn vaak abstracte relatie tot voedsel en de herkomst ervan, is de oogstgedachte verworden tot een rariteit. Een anachronisme. Zeggen dat een jager zijn vlees op eigen verdienste uit het bos of de weide haalt, klinkt bijna revolutionair in sommige middens.
Rebellie

Maar als dat het gemoed is, dan lijkt iedere jachtpartij op een daad van rebellie — rebellie tegen de vervreemding en de vervlakking van de moderniteit. Rebellie tegen de onzichtbaarheid van de dood in de samenleving. Rebellie tegen het uit handen geven van de verantwoordelijkheid wat eten betreft. Rebellie tegen een simpele maar vergeten waarheid: de mens staat niet naast, niet boven, niet onder maar middenin de natuur, en sterven en oogsten horen tot het wezen van ieder zijn. Of dat nu een fijne gedachte is of niet.

Waarom dan zou een jager zijn activiteiten opgeven? Waarom zou hij vergooien wat hem ten diepste verbindt met het leven zelf? Waarom zou hij de band doorknippen met een cultus waarin zoveel intuïtieve kennis verborgen ligt, en die het beperkte begrip van het bestaan opentrekt? (Met een knipoog naar de Duitse filosoof Martin Heidegger: die helpt tegen de zijnsvergetelheid.)
Maarten Goethals
NASCHRIFT
*
Tussen “…” even kort herhalen. Zodat het zowel bij de lezer als bij mijzelf goed doordringt… En ‘ad vitam eternam’ opgeslagen blijft in ons persoonlijk archief. Voor later. Tegen dat ooit ‘Meneer Midddernood’ komt….
*
Ondergetekende zal wel niet alleen zijn om bij bovenstaande lectuur zich ’n heel klein beetje op bekend terrein te gevoelen. Alleen al bij het vergelijken van jagers met… politiekers van de slach die wij al bijna 200 jaar meemaken.
En dan heb ik nog, bij het uittikken van deze woorden, zoveel mogelijk mijn goed hart laten spreken.
Want in die zin vind ik het spijtig, dat het opgejaagde en tot op het vel afgestroopte wild, niet kan terugschieten…


 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten